we zien haar halverwege de straat
de tranen snijden rivieren door haar huid
het regent opzij in haar incomplete huis
toch, of juist daarom komt ze naar buiten
in haar hand, aanbiedend, steekt ze voor zich
vrolijk heen en weer schuddend
een pluchen beer uit die jingle bells zingt
wiens neus een rood lichtje verstopt, het pinkt
wanneer je ’t knopje in z’n handpalmpje vindt
de vinnigaard die mijn zoon is danst vol vreugde met z’n nieuwe vriend
kan uit ongeduld niet wachten en zet halverwege het liedje alweer op
(en nog eens en nog een keer en opnieuw en dan nog eens en alweer en nog en nog)
de vrouw lacht
haar hoge mondhoeken zorgen dat
de geulen die het landschap van haar gezicht doorkruisen
nog wat verder wegzinken
ze vertelt
ik lees de diepte van haar verdriet
ben dankbaar voor de vreugde die ze delen wil
in de vorm van een zingend knuffelbeertje
vanuit haar deurgat zwaaien we nog een laatste keer naar elkaar
de batterijbeer verlaat de handen van mijn kleinste niet meer