goederen (c) Anna Carlier
en gastschrijvers





vrijdag 27 februari 2026

Shifting the baseline





Zorgvrouw

 


we zien haar halverwege de straat

de tranen snijden rivieren door haar huid

het regent opzij in haar incomplete huis

toch, of juist daarom komt ze naar buiten

in haar hand, aanbiedend, steekt ze voor zich 

vrolijk heen en weer schuddend 

een pluchen beer uit die jingle bells zingt

wiens neus een rood lichtje verstopt, het pinkt

wanneer je ’t knopje in z’n handpalmpje vindt

de vinnigaard die mijn zoon is danst vol vreugde met z’n nieuwe vriend

kan uit ongeduld niet wachten en zet halverwege het liedje alweer op 

(en nog eens en nog een keer en opnieuw en dan nog eens en alweer en nog en nog)

de vrouw lacht

haar hoge mondhoeken zorgen dat 

de geulen die het landschap van haar gezicht doorkruisen

nog wat verder wegzinken 

ze vertelt 

ik lees de diepte van haar verdriet

ben dankbaar voor de vreugde die ze delen wil

in de vorm van een zingend knuffelbeertje

vanuit haar deurgat zwaaien we nog een laatste keer naar elkaar

de batterijbeer verlaat de handen van mijn kleinste niet meer 




Dijbeen

  

voor je brak

leek het 

alsof je niets te vrezen had

olifant

tijgerreiger


neem mijn dijbeen

ik gids het water naar je mond 

je lijf weg van de vlakte 


in deze holte kan je schuilen

blijf nog even liggen

ik verbind je benen met karton

heel je wond

haal een mispel






gedicht voor 'Redden wat je raakt' 


https://www.klimaatdichters.org/podcast 

maandag 5 januari 2026

Afstefenen, wakker worden en weer afstefenen

 



(sommige letters staan niet op hun plek, het is ochtend voor iedereen) 


(ik geef toe, het is een daad van protest)

(ik geef ook toe dat het de enige manier is waarop ik protesteren kan)

(momenteel)

(oke, nu geef ik echt toe, het is oververmoeidheid gecombineerd met luiheid om die oververmoeidheid recht te zetten)



we stefenen af 

peilsnel, regelrecht 

afgrond in zicht 

ik zie ons samen ploederen 

in een substantie modderolie


ik trein alvast mijn bekkenbodemspieren

kelder mijn tuin 

sla conserfenblikken op

vul een rugzak, waterfilter slaapzak mes

trein alweer, maar nu op stress


mijn lichaam weet niet hoe het rustig moet blijven

ik zoek een hol

om winters lang in te slapen

tot het allemaal voorbij is 


ik vind geen tijdreisgrot

of vluchtparadijs

ik dender van de ene in de andere korte nacht 

probeer overdag wakker te blijven

om te zorgen voor twee ukkies


in mijn droom (waar ik die vinden kon op zo’n korte nacht is me een ander raadsel) 

heb ik tijd voor seks met andere mensen

een man die me vol nieuwe liefde kust aan een fornuis 

waar potten waarin ik niet moet roeren voor mij pruttelen

neemt me mee naar zijn zachte zetel

waar ik zijn hardheid tegen mij voel geilen

helaas

wanneer hij met zijn hoofd richting schaamstreek trekt

verandert zijn gezicht in dat van een soort mismaakt kind


geilheid maakt plaats voor verwarkkering (verward wakker worden, het woord zo wanordelijk als de gebeurtenis)

mijn echt volmaakt kind kruipt op mijn randje bed

de resterende plek neemt de slapende grote baby in

tussen beide geplet probeer ik een beetje te ademen 

en stil en snel genoeg naar dochters wensen een antwoord te verzinnen op haar vragenvuur - zonder grote baby te wekken


mijn harthoofd komt op gang

stefenen we echt af? 

is de afgrond in zicht?

hoe zal ik alles klaarspelen?


kinderen redden uit de modderolie

een stevige bekkenbodem

moeders aardes uitputting terugdraaien

een goed mens zijn

wereldfrede




(gedicht niet door AI gegenereerd)