goederen (c) Anna Carlier
en gastschrijvers





vrijdag 17 mei 2019


een grote boom trotseert de wind
zijn blaadjes dapperen wapper
tot ze gezwind van zijn takken dansen
hoger en brozer
knapper en rapper

door de lucht vliegen de blaadjes
ik waai met ze mee

opa jan

opa jan
lange man
plaagstok
met groene vingers
met blote handen
netels uit de grond
en patatten in
en binnen
thuis
in de zetel
met sloefen
zitten snoepen
veel eten
negen boterhammen
mee naar 't werk
in de tuinen van de stad
opa jan
man
papa
plaagstok

e..a


e..a
wonderboog
wonderoogjes
gedachteboom
de motor die plots begint te ronken
de vlieg die over de tafel kruipt
ik zag wel aan dewelke je knabbelde
e..a
monderwoog
klapperroosjes
de citroen die naast de kiwi ligt
de klap op je gezicht
ik weet wel dat het anders moet
ik weet wel dat het niet

gisteren vertelde Laura me dat regenbogen in feite rond zijn

maandag 22 oktober 2018

hebben/houden


hebben

ik heb kleine tenen
ik sta graag vroeg op
ik kijk graag naar de lucht
ik val altijd op mijn knieën
ik geef de dingen graag namen
ik probeer te lachen naar de mensen
ik ben heel ongeduldig
ik zoek de weg

houden

een vertraagd beeld van glas dat valt
een pupil verwijdt 
zonlicht
zacht gezang
de koelkast ruist
een egel
de winter vertrekt
gij zijt de weg
ik wil u houden

donderdag 16 augustus 2018

horizon

de grond tot aan de horizon
de lijn in de verte
ik wil er naartoe lopen
om dan af te springen
de dieperik in
alleen gezoef van het eeuwige vallen
niets dan naar beneden getrokken worden
misschien geflapper van mijn bloemenjurk
een eeuwige zucht met zacht geflapper
zou dat slijten?
uw kleding?
van eeuwig te vallen?
als er geen licht schijnt om het af te bleken?
geen wrijving -
met de lucht
door de wrijving met de lucht -
de lucht veegt alle bloemen eraf
maar ik blijf vallen 
met een wit kleed
het blijft flapperen
flap flap
in de wind
uw haar
valt uit
uw tanden
verkruimelen
uw benen bengelen
als slappe vodjes 
achter uw romp
die stilaan verschrompelt 
het vlees moet wel verteren
maar wie eet het op?
het rot
wordt bruin
wie eet het op?
de lucht
de lucht eet het op
de lucht eet alles op
uiteindelijk
tot alleen nog het laatste deeltje van mezelf dapper verder valt
één klein celletje
durft de dieperik verder in 
misschien zingt het ondertussen wel een liedje
voor zichzelf
op het ritme van de lucht
op het ritme van het gezoef
of misschien draagt dat celletje nog een lapje stof
heeft het z’n eigen wit kleedje 
en flappert dat
en zingt hij op dat geflapper een liedje voor zichzelf 

flap 

tot ik niets meer ben

niets van mij valt 

zondag 14 januari 2018

Kou

Heeft de winter ze gebroken
Heeft de kou ze diep gekerfd
Langzaam trekt de tocht ze open
Hun borstkas barst
Pus druipt weg
Paden van ijs verstevigen zich
Iedereen glijdt uit
SPLETS
Ze spatten open
Borstkassen in duizend stukken in een plas van pus
Niemand ontsnapt

Zelfs de tijd staat hier stil

vrijdag 10 juni 2016

Elke ochtend staat zij daar


Elke ochtend staat zij daar, gebroken been en zenuwachtig. Ik vraag mij af waar ze naartoe wil gaan. Maar elke keer verdwijnt ze weer, zonder dat ik het zag. Zonder dat ik zag naar waar of wie haar meenam of ze hinkte of ze viel. Ik doe nochtans mijn best te blijven kijken, haar geen moment uit mijn blikveld te laten gaan. Het moet zijn dat ze in een oogwenk kan verhuizen naar daar waar ik dus nog niets van weet. Of misschien weet ik er wel alles van, maar is die kennis onbenut aangezien ik niet weet waarheen ze gaat. Ik heb haar wel ter plekke al zien dartelen, met dat gebroken been, ingepakt van enkel tot lies (haar rokje komt erover, ik kan niet werkelijk zien hoe hoog het gaat, misschien zijn ook haar bekken wel gebroken). Of dartelen is veel gezegd, het is eerder een soort hinken. Dat kan ook niet anders met zo’n blok, dat neem je niet zomaar mee. Het trekt, het sleept, vertraagt, beklaagt. Ze vraagt zich op die momenten misschien af, waarom ze deed wat ze deed waardoor haar been (of bekken) gebroken werd. Zo gebroken zijn en toch zo zenuwachtig. Dat schept verwachtingen bij mij. Waar gaat ze heen? Wie brengt haar weg? Stapt ze in of op? Wil ze? Heeft ze zin? Denkt ze dat de bus hier stopt? Elke ochtend staat zij daar, gebroken en alleen. Ik weet niet hoe en ik weet niet waar, maar ze gaat ergens heen.

maandag 16 mei 2016

BANG

ge breekt
mijn botten

ge breekt
mijn stok

ge breekt
mijn darmpkens
AH AH PIJN

kopop
slokin
slappin
wangkrab
wespin

revolver
BANG BANG
schiet
schiet

bot krak bots

gij breekt mij
ik verschiet

zondag 1 mei 2016

Mijn schaamlip

Mijn schaamlip staat dik.
Ik klom over een tribune, hoofd eerst en benen erachteraan.
In het midden kwam mijn kut terecht op een armleuning.
Knal.
Auw.
Verder spelen.
Niets aan de hand.

Mijn schaamlip staat dik.
En er komt bloed.
Er komt bloed ergens anders.
Geen zorgen.
Gewoon dik.
Het is zo dat de tang ter hoogte van mijn baarmoeder,
neen mijn baarmoeder is de tang, begint toe te nijpen.
Alles naar buiten perst.
Nijpt.

Maar dan staat ook nog mijn schaamlip dik.
En er komt bloed.
Dat is ook goed.
Nu hoort het.
Het is nog van geruststelling.
Straks is het van godverdomme waarom bestaat dit gezever?
Maar nu nog de lach.

Zelfs nu dat.
Mijn schaamlip staat dik.
Het is mei.
Net in mei staat het dik en toch is alles beter dan april.
De grillen hebben we gehad.
Het is voorbij.
Het is goed.
Morgen is vrij.
Morgen is muziek.
Morgen is schrijven.
Morgen is trouwens eigenlijk al vandaag.
Morgen is computerspelletjes spelen.
Verantwoord computerspelletjes spelen.
Genieten genieten genieten.

Hopelijk staat mijn schaamlip morgen minder dik.
Of ja, hopelijk vandaag al.
Na de nacht.
Kan hij bekoelen.
(Sorry, maar is hij mannelijk?)
(Is schaamlip mannelijk?)
Krimpt hij weer.
Staat hij weer normaal.
Niet dik.
Het is niet dat er iemand naar moet kijken.
Morgen, zelfs niet vandaag.
Dat is voor later.
Als hij maar minder dik.
Al maakt het niet veel uit.
Morgen is genieten.
Morgen is niets.
Morgen is muziek.

Ik hoop dat ik ook nog wat van dat vals filosoferen kan gaan.
Dat hoop ik echt.
Zou ik bijzonder vinden.

Ik zou niet ironisch moeten zijn, sorry.

Morgen ben ik niet ironisch!
Morgen is muziek.

vrijdag 29 januari 2016

Niets zijnde






Weest men blind voor mijn woorden.
Zien ze niet.
Tasten de randen af.
Hebben te raden.

Zij verdwijnen.
Donker slurpt, als ware ze lucht.

Jeuk zet zich in.
Aan mijn benen.

Schurftig wrijven ze zich,
uit angst,
de huid van de schenen.
Het bot van het bot.
Tot ze verpulverd naast elkaar blazen.

Niets zijnde, is het moeilijk
om bang te zijn.

maandag 4 januari 2016

tekst van het huilen




            misschien had ik het al eens gezegd
            dat van dat huilen
            dat het vanbinnen begint
            en dan gaat puilen
            ge loopt over als het ware
            ook als ge het niet wilt
            en het is niet als koken
            het is eerder een glinstering
            als ik twee kleine krekels zie
            dan bulkt er iets vanbinnen
            op een zachte vleiende manier
            dan loop ik over en
            ben ik de kleinste beek
            op aarde
            en wil ik zingen
            en ook zwijgen
            wat dan klinkt als stil gesnik
            enkel en alleen omdat
            die twee krekels zo zielig
            naar elkaar kijken
            en ik zie hun verdriet
            dan huil ik
            loop ik over
            ben ik een eenzaam krekellied

tekst van de heimwee



            ik mis mijn zee vol liefdesmist
            als ik in uw ogen kijk
            dan zie ik er soms een beetje van
            alsof een kiertje in uw kleurenvlies
            mijn verleden in u opent
            dan begin ik met een tranendal
            te snikken en er komt terstond
            een nieuwe zee van liefdesmist
            die ik zo heb gemist
            daarom kijk ik graag naar u
            om wat ik in u zoek
            te vinden en verslinden
            gij zijt mijn poort naar terug
            en daarom mijn geluk
            mijn excuses dat ik zo vaak
            loop te staren
            ik ben gewoon op zoek
            naar het verdwalen
            laat mij zien
            laat mij kijken
            naar uw wonderlijke plassen
            ik weet wat ik er vinden zal
            ge zult mij niet verrassen

donderdag 15 oktober 2015

Liefste,


een wee gedicht
een triest gebed
een graai in de lucht
bericht aan het licht

in mij gebed
verlangt ge niets
in mij
zijt ge daar
waar ge vallen moet

wattekes
wattekes
wattekes

vult uw buik
met wattekes
en kust
mij terug

woensdag 22 april 2015

Correspondentie Gedicht #1 + 1



Ammoniak 

- voorgeschiedenis -

u heeft 

een episodisch
een semantisch
een declaratief
een expliciet
een proceduraal

en dat danst allemaal voor u (voor u)

- geschiedenis - 

toen gij mij liep
toen dacht ik
toen was het dat
toen uw adem ging
toen stopte gij
en struikelde ik

dan zwegen we en spraken niet 

- nageboorte -

dove. 
bres.

en daarbij: de maan is hol en onafgewerkt
(terwijl ze door het raam naar binnen kijkt)

gij had ook niet kunnen vertrekken



Correspondentie Tim Taveirne Gedicht #1



Amnesie
maak van je handen een kom
en zeg me dat de maan hol en onafgewerkt is
terwijl ze door het raam naar binnen kijkt

zullen we een baantje rond je huis lopen
en proberen om niet te struikelen
over elkaars harde en lange adem

ons spreken is een zwijgen
het dooft in de bres van
onze opeengestapelde buiken

bij je weggaan
is als een zachte vernieling
amnesie


T.T.

zondag 5 april 2015

kliertje



de vuile klier
boos, aardig
moedertje vier
het wicht
wat moeten we
onder de kraan
met de kop
en duwen, tegen
de vuile klier

trekken
getrokken
met haar
klauwhandje
klauw klauw
kouw kouw
in de kou

onder de
pijnboom
van plezier
ligt het
dode dier
het snot jong,
het nageboorte van
de vuile klier






de Neerbeek




Als de traan rolt
heen de neerbeek
verschroeid
onder de boomstreek
verschiet Jakob zich
in woorden
slikt en ziet de nood
zijn broer lacht
vuistjes vol
de stilte druist
zijn oren hol
niemand spreekt nog
weent noch
de schoonheid
steelt de winst
in de stilte
en haar wind
knielt neder
in de beek