Tussen de spleten van het gebogen riet groeit mos, daar slaapt een volkje op. Aan de ene kant rijzen er bergen tot over de rand. Aan de andere kant rust een meer dat soms (voor het volkje) uit het niets begint te golven. Van rusten is er dan geen sprake meer, soms wordt alles nat, het hele volk, alle dieren, bossen, mossen. Alleen de toppen van de hoogste bergen blijven droog. Alhoewel, zijn ze droog onder een laag eeuwige sneeuw? Alhoewel alhoewel, van die eeuwigheid is het volk de laatste tijd niet meer zo zeker. De toppen van de bergen voelen nattigheid. De sneeuw smelt, glijdt van de bergen, verschillende smeltstromen voegen zich samen, vormen rivieren die oeroude dorpen van het volk aantasten, zelfs wegvegen. De dorpelingen wijken noodgedwongen uit en hangen hun hangmatten in het naburige bos terwijl onder hen de grond wegspoelt. Soms schudt alles. Soms is alle stil, rustig, de lucht leesbaar, een vlieg hoorbaar. Ze zien de vijgen groeien en zijn er bijna zeker van dat ze ze zullen proeven. Het volkje weet dat je nooit echt zeker kan zijn. Maar van het verdwijnen van bepaalde zekerheden raakt hun wezen in de war. Diep in de war, onrustig, bijna hulpeloos. Hoop zit slechts in de gedachte dat het zonder hen ook wel verder kan. Misschien zelfs dat uiteindelijk dan alles beter is. Dan kan het meer onverstoorbaar rollende golven laten oprukken zonder dat iemand zich afvraagt ‘waar waarom?’. Dan krijgen de bomen de tijd die ze nodig hebben om te groeien. Al was het volk niet hebberig en gaven ze de ruimte aan de trage reuzen. Nog steeds dus, zo gaat het nog vandaag, het volk is er nog, slaapt nog tussen de gebogen rietstengels, op het zachte mos of in de noodhangmatten, hoort nog het fluiten van de vogels en tracht ze nog te imiteren, kijkt nog naar de bergtoppen, zich afvragend wat ze van op de top zouden zien, vindt nog plezier in surfen op plotse meergolven (dan leggen ze het werk neer en springen met een plank in het woeste water). Ze leven nog, denken nog en voelen nog, al is het steeds vaker met een intriest zwaar verward hart en vermoeide ogen.