goederen (c) Anna Carlier
en gastschrijvers





zaterdag 25 april 2020

Streepjes

Streepjes tellen de dagen
dat ik je niet kan zien
Elk streepje een stokkeventje
met jouw ogen, warmte, mond
Ze tellen maar ik weet niet tot wanneer
een eindeloze blanco muur strekt zich voor hen uit
Een zee van wit 
waarop te kleine reddingssloepjes dobberen
En ik tel de dagen als een van eenzaamheid 
gek geworden zeeman
Zeevrouw
maar dan zonder staart of schelpen
Al probeer ik wel eens in vakantiestemming 
van de streepjes een springplank te maken
En spring ik in het diepe water
zwem zo lang ik adem heb
zolang mijn longen durven uitdeinen
zo breed als eb en vloed
zo lang ze kunnen gehoorzamen
aan het verlangen van mijn bloed
En dan bots, knal ik met mijn kop
bij het naar boven gaan
tegen zo’n reddingssloep
want ’t zijn er smalle
maar ’t zijn er veel te veel
en het is moeilijk 
om tussen de mazen van het net te glippen
en tussen de dagen in te leven
als ik niet weet wanneer ik al de mijne weer zal zien
streepjes trekken
streepjes tellen
ik probeer van streep tot streep te springen
en in den beginne ging dat goed
maar nu val ik telkens weer 
er tussenin
en moet ik een stuk te voet
al mag dat niet als een verrassing komen
want ik leerde van de beste
dat tijd te voet gaat
als streepjes dagen tellen

dinsdag 24 maart 2020

het virus

ons hoofd op de kussens
verzonken in zacht 
we missen en gissen
de gezellige stad
wiens leegte ons tart
het vlees van de mensen
ontbreekt op de straten
ontheemd van het praten
met maten en gaten 
waar eens volle dagen
gedaan met de daden
alles gesloten
maar wij genoten
genieten misschien 
van het stil
van het niets
van het stoppen met altijd door    

ze verdwijnen tussen muren
een verre lach naar de buren
of grijpt de stilte niet hen
zitten ze gevangen in andere muren
in het voortdurende strijden
van het wakker blijven
het intense glijden 
de thermometers
in reten 
en pampers
niet eten
van pakken
en maskers
als monsters
van andere planeten
maar daarin een mens
mogen wij niet vergeten

wij stilstaanders
geldverliezers
kunnen niet anders dan
applaudisseren
witte lakens
dankbaarheden
uitsmeren en geven
en op onze knieën
helden! uitroepen
helden!
helden!
niet alleen nu
ook voordien
ook morgen
ook als de deuren weer open
de mensen weer buiten
de straten weer vol
de buurvrouw bevalt 
oma ziek
en Boris op z’n kop gevallen is

vrijdag 20 september 2019

Plastiek jasje


ge verzint een paard
eentje zonder haar
zonder vacht en zonder manen
het paard is kaal
maar ’t heeft een jasje van plastiek
en gij moogt op ’t paard
en ’t brengt u naar de bergen
naar de toppen in de sneeuw
bovenaan klikken zijn hoeven open
en op latjes schuiven gij en de pony
(sorry ’t was een paard)
naar beneden
en ge zijt gelukkig
binnenin en buitenuit en bovenop
uw verzinsels

maandag 10 juni 2019


en toen regende ze
dagen aan een stuk
terwijl ze gewoon 
en alleen maar
terugkeren wou 



vrijdag 17 mei 2019


een grote boom trotseert de wind
zijn blaadjes dapperen wapper
tot ze gezwind van zijn takken dansen
hoger en brozer
knapper en rapper

door de lucht vliegen de blaadjes
ik waai met ze mee

opa jan

opa jan
lange man
plaagstok
met groene vingers
met blote handen
netels uit de grond
en patatten in
en binnen
thuis
in de zetel
met sloefen
zitten snoepen
veel eten
negen boterhammen
mee naar 't werk
in de tuinen van de stad
opa jan
man
papa
plaagstok

e..a


e..a
wonderboog
wonderoogjes
gedachteboom
de motor die plots begint te ronken
de vlieg die over de tafel kruipt
ik zag wel aan dewelke je knabbelde
e..a
monderwoog
klapperroosjes
de citroen die naast de kiwi ligt
de klap op je gezicht
ik weet wel dat het anders moet
ik weet wel dat het niet

gisteren vertelde Laura me dat regenbogen in feite rond zijn

maandag 22 oktober 2018

hebben/houden


hebben

ik heb kleine tenen
ik sta graag vroeg op
ik kijk graag naar de lucht
ik val altijd op mijn knieën
ik geef de dingen graag namen
ik probeer te lachen naar de mensen
ik ben heel ongeduldig
ik zoek de weg

houden

een vertraagd beeld van glas dat valt
een pupil verwijdt 
zonlicht
zacht gezang
de koelkast ruist
een egel
de winter vertrekt
gij zijt de weg
ik wil u houden

donderdag 16 augustus 2018

horizon

de grond tot aan de horizon
de lijn in de verte
ik wil er naartoe lopen
om dan af te springen
de dieperik in
alleen gezoef van het eeuwige vallen
niets dan naar beneden getrokken worden
misschien geflapper van mijn bloemenjurk
een eeuwige zucht met zacht geflapper
zou dat slijten?
uw kleding?
van eeuwig te vallen?
als er geen licht schijnt om het af te bleken?
geen wrijving -
met de lucht
door de wrijving met de lucht -
de lucht veegt alle bloemen eraf
maar ik blijf vallen 
met een wit kleed
het blijft flapperen
flap flap
in de wind
uw haar
valt uit
uw tanden
verkruimelen
uw benen bengelen
als slappe vodjes 
achter uw romp
die stilaan verschrompelt 
het vlees moet wel verteren
maar wie eet het op?
het rot
wordt bruin
wie eet het op?
de lucht
de lucht eet het op
de lucht eet alles op
uiteindelijk
tot alleen nog het laatste deeltje van mezelf dapper verder valt
één klein celletje
durft de dieperik verder in 
misschien zingt het ondertussen wel een liedje
voor zichzelf
op het ritme van de lucht
op het ritme van het gezoef
of misschien draagt dat celletje nog een lapje stof
heeft het z’n eigen wit kleedje 
en flappert dat
en zingt hij op dat geflapper een liedje voor zichzelf 

flap 

tot ik niets meer ben

niets van mij valt 

zondag 14 januari 2018

Kou

Heeft de winter ze gebroken
Heeft de kou ze diep gekerfd
Langzaam trekt de tocht ze open
Hun borstkas barst
Pus druipt weg
Paden van ijs verstevigen zich
Iedereen glijdt uit
SPLETS
Ze spatten open
Borstkassen in duizend stukken in een plas van pus
Niemand ontsnapt

Zelfs de tijd staat hier stil

vrijdag 10 juni 2016

Elke ochtend staat zij daar


Elke ochtend staat zij daar, gebroken been en zenuwachtig. Ik vraag mij af waar ze naartoe wil gaan. Maar elke keer verdwijnt ze weer, zonder dat ik het zag. Zonder dat ik zag naar waar of wie haar meenam of ze hinkte of ze viel. Ik doe nochtans mijn best te blijven kijken, haar geen moment uit mijn blikveld te laten gaan. Het moet zijn dat ze in een oogwenk kan verhuizen naar daar waar ik dus nog niets van weet. Of misschien weet ik er wel alles van, maar is die kennis onbenut aangezien ik niet weet waarheen ze gaat. Ik heb haar wel ter plekke al zien dartelen, met dat gebroken been, ingepakt van enkel tot lies (haar rokje komt erover, ik kan niet werkelijk zien hoe hoog het gaat, misschien zijn ook haar bekken wel gebroken). Of dartelen is veel gezegd, het is eerder een soort hinken. Dat kan ook niet anders met zo’n blok, dat neem je niet zomaar mee. Het trekt, het sleept, vertraagt, beklaagt. Ze vraagt zich op die momenten misschien af, waarom ze deed wat ze deed waardoor haar been (of bekken) gebroken werd. Zo gebroken zijn en toch zo zenuwachtig. Dat schept verwachtingen bij mij. Waar gaat ze heen? Wie brengt haar weg? Stapt ze in of op? Wil ze? Heeft ze zin? Denkt ze dat de bus hier stopt? Elke ochtend staat zij daar, gebroken en alleen. Ik weet niet hoe en ik weet niet waar, maar ze gaat ergens heen.

maandag 16 mei 2016

BANG

ge breekt
mijn botten

ge breekt
mijn stok

ge breekt
mijn darmpkens
AH AH PIJN

kopop
slokin
slappin
wangkrab
wespin

revolver
BANG BANG
schiet
schiet

bot krak bots

gij breekt mij
ik verschiet

zondag 1 mei 2016

Mijn schaamlip

Mijn schaamlip staat dik.
Ik klom over een tribune, hoofd eerst en benen erachteraan.
In het midden kwam mijn kut terecht op een armleuning.
Knal.
Auw.
Verder spelen.
Niets aan de hand.

Mijn schaamlip staat dik.
En er komt bloed.
Er komt bloed ergens anders.
Geen zorgen.
Gewoon dik.
Het is zo dat de tang ter hoogte van mijn baarmoeder,
neen mijn baarmoeder is de tang, begint toe te nijpen.
Alles naar buiten perst.
Nijpt.

Maar dan staat ook nog mijn schaamlip dik.
En er komt bloed.
Dat is ook goed.
Nu hoort het.
Het is nog van geruststelling.
Straks is het van godverdomme waarom bestaat dit gezever?
Maar nu nog de lach.

Zelfs nu dat.
Mijn schaamlip staat dik.
Het is mei.
Net in mei staat het dik en toch is alles beter dan april.
De grillen hebben we gehad.
Het is voorbij.
Het is goed.
Morgen is vrij.
Morgen is muziek.
Morgen is schrijven.
Morgen is trouwens eigenlijk al vandaag.
Morgen is computerspelletjes spelen.
Verantwoord computerspelletjes spelen.
Genieten genieten genieten.

Hopelijk staat mijn schaamlip morgen minder dik.
Of ja, hopelijk vandaag al.
Na de nacht.
Kan hij bekoelen.
(Sorry, maar is hij mannelijk?)
(Is schaamlip mannelijk?)
Krimpt hij weer.
Staat hij weer normaal.
Niet dik.
Het is niet dat er iemand naar moet kijken.
Morgen, zelfs niet vandaag.
Dat is voor later.
Als hij maar minder dik.
Al maakt het niet veel uit.
Morgen is genieten.
Morgen is niets.
Morgen is muziek.

Ik hoop dat ik ook nog wat van dat vals filosoferen kan gaan.
Dat hoop ik echt.
Zou ik bijzonder vinden.

Ik zou niet ironisch moeten zijn, sorry.

Morgen ben ik niet ironisch!
Morgen is muziek.

vrijdag 29 januari 2016

Niets zijnde






Weest men blind voor mijn woorden.
Zien ze niet.
Tasten de randen af.
Hebben te raden.

Zij verdwijnen.
Donker slurpt, als ware ze lucht.

Jeuk zet zich in.
Aan mijn benen.

Schurftig wrijven ze zich,
uit angst,
de huid van de schenen.
Het bot van het bot.
Tot ze verpulverd naast elkaar blazen.

Niets zijnde, is het moeilijk
om bang te zijn.

maandag 4 januari 2016

tekst van het huilen




            misschien had ik het al eens gezegd
            dat van dat huilen
            dat het vanbinnen begint
            en dan gaat puilen
            ge loopt over als het ware
            ook als ge het niet wilt
            en het is niet als koken
            het is eerder een glinstering
            als ik twee kleine krekels zie
            dan bulkt er iets vanbinnen
            op een zachte vleiende manier
            dan loop ik over en
            ben ik de kleinste beek
            op aarde
            en wil ik zingen
            en ook zwijgen
            wat dan klinkt als stil gesnik
            enkel en alleen omdat
            die twee krekels zo zielig
            naar elkaar kijken
            en ik zie hun verdriet
            dan huil ik
            loop ik over
            ben ik een eenzaam krekellied

tekst van de heimwee



            ik mis mijn zee vol liefdesmist
            als ik in uw ogen kijk
            dan zie ik er soms een beetje van
            alsof een kiertje in uw kleurenvlies
            mijn verleden in u opent
            dan begin ik met een tranendal
            te snikken en er komt terstond
            een nieuwe zee van liefdesmist
            die ik zo heb gemist
            daarom kijk ik graag naar u
            om wat ik in u zoek
            te vinden en verslinden
            gij zijt mijn poort naar terug
            en daarom mijn geluk
            mijn excuses dat ik zo vaak
            loop te staren
            ik ben gewoon op zoek
            naar het verdwalen
            laat mij zien
            laat mij kijken
            naar uw wonderlijke plassen
            ik weet wat ik er vinden zal
            ge zult mij niet verrassen

donderdag 15 oktober 2015

Liefste,


een wee gedicht
een triest gebed
een graai in de lucht
bericht aan het licht

in mij gebed
verlangt ge niets
in mij
zijt ge daar
waar ge vallen moet

wattekes
wattekes
wattekes

vult uw buik
met wattekes
en kust
mij terug